Een leven als gezinshuisouder



Kinderen met een licht verstandelijke beperking (LVB) hebben op sommige vlakken andere behoeften dan kinderen die 'normaal-begaafd' zijn. Het is niet voor alle ouders duidelijk welke behoeften dit zijn: sommige kinderen met een LVB zijn erg goed in het verbloemen van hun ‘minder sterke kanten’. Het gevolg is dat deze kinderen niet altijd een veilige hechting kunnen opbouwen met hun ouders, wat weer als gevolg heeft dat kinderen niet al hun mogelijkheden kunnen benutten en zich niet voldoende kunnen ontwikkelen.
Voor kinderen en jongeren met een LVB en met dit soort ‘problemen’, zijn gezinshuizen opgericht. Een gezinshuis vangt kinderen op die niet langer thuis kunnen wonen. Zo groeien deze kinderen op in een normaal gezin, met professionele aandacht voor de problemen van het kind. Een gezinshuis verschilt van een leefgroep en een pleeggezin, omdat een gezinshuis 24 uur per dag en 7 dagen per week professionele begeleiding biedt door professionele opvoeders. Deze opvoeders hebben altijd een achtergrond in de zorg voor jeugd. Daarom beschikken ze over de juiste kwaliteiten om kinderen weer vertrouwen te laten ontwikkelen. Zorgorganisaties als Ambiq begeleiden gezinshuisouders en de kinderen. In het geval van Ambiq hebben deze kinderen een licht verstandelijke beperking en bijkomende problematiek. Dat betekent dat ze op meerdere levensgebieden problemen hebben, bijvoorbeeld gedragsproblemen, schulden en/of verslaving.

Een vak apart
Een van die gezinshuisouders is Susy. Zij heeft samen met haar man een gezinshuis in Oldenzaal (Overijssel) waar zij kinderen met een licht verstandelijke beperking opneemt. Gezinshuisouders zijn is een vak apart. Het is niet zomaar een baan; het is een way of life. ‘Het moet bij je passen’, volgens Susy. ‘Je kunt de deur niet achter je dichttrekken na een dag werken en naar huis gaan. Je staat met je werk op en je gaat er mee naar bed. Het is soms lastig om even de afstand te kunnen nemen.’

Kirsten kan dit als gezinshulpverlener van zorgorganisatie Ambiq, en dus als ‘buitenstaander’, wel. Zij geeft samen met de gezinshuisouders de behandeling vorm en coacht ze hierin. ‘Het is mooi om te zien dat er een samenwerking is tussen biologische ouders en gezinshuisouders. Het is een uitdaging om mee te denken over de behandeling en samen met gezinshuisouders te kijken naar wat een kind nodig heeft. Waarom vertoont een kind bepaald gedrag? Hoe kun je hier dan het beste mee omgaan?’

‘Gezinshuisouder zijn betekent voor mij een warm, beschermd en zo normaal mogelijk gezinsleven bieden aan kinderen en jongeren die naar het speciaal onderwijs gaan en voor een langere periode niet thuis kunnen wonen,’ aldus Susy. ‘Ze kunnen niet meer thuis wonen, omdat bijvoorbeeld de problemen te complex zijn, ze worden verwaarloosd of omdat de zorg voor ouders te zwaar is. Ik vind het belangrijk dat ze met plezier kunnen terugkijken op de tijd dat ze in een gezinshuis hebben gewoond. De kinderen gaan bijvoorbeeld mee op bezoek bij mijn moeder, blijven met een buurvrouw koffiedrinken of helpen een buurman met een nieuwe schutting. Wij zijn er als gezinshuisouders op alle momenten dat een kind je nodig heeft. Ook buitenshuis: we verkennen samen de maatschappij zodat het kind merkt hoe het op een goede manier zelfstandig op pad kan.’ Susy ziet als gezinshuisouder kinderen die voor het eerst ervaren hoe het is om verzorgd te worden en aandacht te krijgen. Door de 24-uurszorg die ze met haar man biedt, krijgt ze kinderen beter in kaart. ‘Tijdens het samenleven leer je steeds beter aan te sluiten bij een kind, waardoor het voelt dat hij er mag zijn en dat hij kan worden wie hij is. Ik heb bij alle 35 kinderen die ik in huis heb gehad het zelfvertrouwen en vertrouwen in anderen zien groeien. Ze krijgen duidelijkheid over wat ze van hun ouders kunnen verwachten en wat hun eigen kwaliteiten zijn, en dat helpt. Ook houden cliënten mij een spiegel voor. Soms word ik zelf gecorrigeerd. Dat levert leerzame gesprekken op.’
 
Kirsten: ‘Je ondersteunt door het kind te begeleiden naar bezoekregelingen, er samen met ouders voor te zorgen dat het gezellig is en te onderzoeken wat in hun mogelijkheden ligt. Samen werk je aan doelen, waar het kind in het dagelijks leven en in zijn toekomst belang bij heeft.’ Kinderen in een gezinshuis leren voornamelijk door te zien en samen dingen te doen. Daarbij hebben ze veel herhaling en controle nodig. Naast het kind staan is een voorwaarde om een vaardigheid aan te leren. Neem het gezamenlijk eten. ‘Ik zie dat veel kinderen samen eten spannend vinden,’ zegt Susy. ‘Al snel zien wij ze genieten van de maaltijd. Nog mooier is het als kinderen zelf gaan voorstellen wat wij moeten halen of maken. Dat ze niet meer bang zijn om uitgelachen te worden of volwassen verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Dat ze weer kind durven te zijn.’

Een gezinshuis wordt vaak als een thuis ervaren. Kinderen waarderen het dat zij elke dag dezelfde opvoeders hebben, wonen in een gewoon woonhuis en leven in een gewone buurt; een zo normaal mogelijk gezinsleven. Regelmatig spreekt Kirsten de biologische ouders van de kinderen: ‘Het is bijzonder om te zien hoe er een mooie samenwerking is tussen hen en de gezinshuisouders. Even een kop koffie kunnen drinken bij het ophalen of wegbrengen van je kind, samen naar een ouderavond gaan en een foto of appje van je kind krijgen. Het zijn kleine dingen die veel impact kunnen hebben.’

Goede samenwerking
Er zijn verschillende collega’s van zorgorganisatie Ambiq aan het gezinshuis van Susy verbonden, zoals een clustermanager, gedragswetenschapper en een gezinshulpverlener. De gezinshulpverlener is het eerste aanspreekpunt. Hij of zij komt doorgaans eens per drie weken op huisbezoek. ‘In deze huisbezoeken bespreken we hoe de behandeling van de kinderen verloopt. Hierin komt alles aan bod: school, contact met ouders, ondersteuning en sport. Daarnaast is het een moment voor gezinshuisouders om even stoom af te blazen of om samen te brainstormen. Susy: ‘Af toe stoom afblazen bij de gezinshulpverlener brengt mij weer in balans.’

Volgens Kirsten is de samenwerking met het netwerk van het kind belangrijk. ‘Voor biologische ouders is het soms lastig om hun kind te laten wonen in een gezinshuis. Er is angst dat gezinshuisouders de rol van hen overnemen en dat ze daardoor niet meer belangrijk zijn in het leven van hun kind. Of dat keuzes voor hen gemaakt worden in plaats van door of met hen. Daarom moet er een goede klik en samenwerking zijn tussen de biologische ouders en de gezinshuisouders. Biologische ouders blijven namelijk een grote rol houden (voor zover mogelijk) in het leven van de kinderen. Kinderen blijven loyaal aan hun ouders en dat moet je kunnen begrijpen en accepteren. Samenwerken met ouders is het sleutelwoord. Gezinshuisouders moeten een lange adem hebben. De kinderen die geplaatst worden vertonen veelal probleemgedrag en hebben veel meegemaakt. Je moet achter het gedrag kunnen kijken en gedrag leren begrijpen. Dit kan erg moeilijk zijn als kinderen veel negatief of agressief gedrag laten zien. Veel van de kinderen hebben bovendien hechtingsproblematiek; ook daar moet je als gezinshuisouder mee om kunnen gaan. Een goede relatie tussen de gezinshuisouders en de biologische ouders maakt het voor de kinderen ook prettiger en gemakkelijker om te kunnen wonen in het gezinshuis. Om een plaatsing te kunnen laten slagen, hebben kinderen ‘de gevoelde toestemming’ nodig van hun biologische ouders/netwerk. De ervaring is dat als deze gevoelde toestemming er niet is, de plaatsing veelal mislukt.’ Susy vult aan: ‘Ik houd rekening met de geschiedenis van het kind en van de familie. Denk aan armoede, verslaving, verlies of aandoeningen. Dit kan namelijk resulteren in een verstoorde hechting. Mijn doel is om deze kinderen weer tot rust te laten komen in ons huis en dat ze zich hierdoor verder kunnen ontwikkelen.’

Voordat een kind bij een gezinshuis komt, hebben de biologische ouders misschien al jaren geworsteld met hun kind en zichzelf. Aan de buitenkant zie je niets en verbaal kan het kind een goede indruk maken. ‘Maar doordat wij hun kind goed leren kennen, geven wij ze soms als eerste erkenning’, aldus Susy. ‘Als een kind voor het eerst samen met een ouder komt kijken in ons gezinshuis, wil het negen van de tien keer meteen blijven. Dat spreekt me zo aan: door mezelf te zijn en ons huis aan te bieden kan ik meer veiligheid bieden dan het kind hiervoor ervaren heeft.’
 
Werk en privé door elkaar
Privé en werk lopen bij het gezinshuisouderschap door elkaar heen. Je hebt vaak minder mogelijkheden om eigen privé-afspraken te maken. Kirsten: ‘Je kunt niet naar alle feestjes en verjaardagen omdat je te maken hebt met onder andere bezoekregelingen. Ook kan je sommige kinderen niet meenemen naar privé-afspraken omdat ze niet tegen drukte of een onbekende omgeving kunnen. Niet iedereen begrijpt dit. Bovendien kunnen eventuele eigen kinderen in aanraking komen met probleemgedrag van geplaatste kinderen. Dit kan positieve, maar ook negatieve effecten hebben.’
 
Ze vervolgt: ‘Gezinshuisouders hebben over het algemeen één vrij weekend in de maand en hun vakantie. In dit weekend en de vakantie zijn de kinderen meestal op een andere plek. Bijvoorbeeld bij biologische ouders, pleeggezin of zorgboerderij. Dit vraagt ook wat van het netwerk van gezinshuisouders, namelijk begrip voor de situatie. Gezinshuisouders proberen een zo veilig en stabiel mogelijke omgeving te bieden aan een kind dat niet thuis kan wonen. Dit doe je door een zo normaal mogelijk gezinsleven te creëren en beschikbaar te zijn, zodat een kind veilig tot ontwikkeling kan komen. Het is veel investeren, maar daarnaast ook genieten van de kleine stapjes en succesjes!’

‘En toch vind ik het een verrijking van mijn privéleven’, zegt Susy. ‘Ik heb zelf geen kinderen, maar ik ben zeer verzorgend. Ik heb een regelmatig en zinvol leven, waarin mijn partner en ik veel zelf kunnen bepalen. Als de kinderen op school zitten, is er tijd genoeg om te genieten in de natuur, te sporten en het huishouden op orde te houden. In vrije weekenden en vakanties is er tijd om te relaxen met familie en vrienden. Ik doe juist dingen met de kinderen die ik anders nooit zou doen. Bijvoorbeeld buikschuiven op de camping, een festival bezoeken of naar een voetbalwedstrijd gaan. Mijn moeder gedraagt zich als bonus-oma en verwent de kinderen graag.’

Beloning
‘Het zien van groei en ontwikkeling van kinderen is een hele mooie beloning voor het intensieve werk dat je als gezinshuisouders doet,’ vervolgt Kirsten. ‘Het samenwerken met de biologische ouders en er op die manier ervoor kunnen zorgen dat het kind krijgt wat het nodig heeft is soms een grote uitdaging, maar des te mooier en bevredigender als dit slaagt.’

Susy sluit af: ‘Het moet niet alleen bij jou passen, maar ook bij jouw gezin. Als je begint als gezinshuisouder, zou ik aanraden om dit onder begeleiding te doen van een organisatie als Ambiq.’ Kirsten is het daarmee eens: ‘Over het algemeen kan het gezinshuisouderschap pittig zijn, maar als het bij je past haal je er veel voldoening uit. De meeste gezinshuisouders vertellen me dat ze niet meer anders zouden willen.’